Om het Israëlisch-Palestijns conflict te begrijpen is het cruciaal verder in de geschiedenis terug te gaan dan de bezetting van 1967. Op het einde van de negentiende eeuw ontstond het zionisme, een nationalistische joodse ideologie die op dat ogenblik maar door een minderheid gedragen werd. Verschillende factoren droegen hiertoe bij: het toenemende antisemitisme in Europa, het uitblijven van gelijke rechten tussen joden en christenen en het kolonialisme. Het zionisme zocht een oplossing voor de problemen van de joden in de diaspora, zoals discriminatie, antisemitisme en pogroms.

In de geest van het kolonialisme van de negentiende eeuw pleitte het zionisme voor de oprichting van een joodse staat in het historische Palestina, ‘een land zonder volk, voor een volk zonder land’. De meerderheid van de zionisten ontkende dat het land bevolkt was en vond de aanspraak van de autochtone Arabische bevolking op het land niet legitiem. De   geest van het Europese kolonialisme was de zionisten niet vreemd. Hun eigen doel primeerde op de rechten van de autochtone bevolking. Ze zagen er geen graten in om de autochtone bevolking ‘discreet te onteigenen’ en te verplaatsen met de bedoeling een zo zuiver mogelijk joodse staat te bekomen. Het zionisme vormt een belangrijke grondslag van de Israëlische politiek, die zich vertaalt in een beleid van discriminatie tegenover niet-joden. Dat belemmert een rechtvaardige en duurzame oplossing voor het Israëlisch-Palestijns conflict.

Uiteraard was de steun van de Westerse landen bepalend voor het succes van het zionisme. Groot-Brittannië  speelde tijdens zijn mandaat over het historische Palestina een dubbelzinnige rol en steunde nu eens de eisen van de zionisten, dan weer de eisen van de Arabieren.  Die steun nam concrete vorm aan in 1917, toen Groot-Brittannië pleitte voor de oprichting van “een joods nationaal thuisland, waar er respect moet zijn voor de niet-joodse volkeren”.  Na de Tweede Wereldoorlog en de shoah, toen zes miljoen joden werden vermoord, vergrootte die steun. In 1947 vaardigden de Verenigde Naties het verdeelplan, resolutie 181, uit. Het verdeelplan benadeelde de Palestijnen; het wees 55 percent van het gebied toe aan de joodse bevolking, die tot dan maar zeven percent van het gebied bewoonde. Dat beantwoordde niet aan de realiteit. De Palestijnen, de Arabische landen en de zionisten verwierpen het plan. De zionisten maakten er geen geheim van dat ze een groter gebied wilden veroveren. Het verdeelplan werd nooit uitgevoerd. De toegenomen spanningen tussen zionisten en Palestijnen leidden tot oorlog. Uit schuldgevoel tegenover het joodse volk lieten de Europese landen na om hun verantwoordelijkheid op te nemen en deze oorlog te voorkomen,. Het resultaat was de Nakba, de catastrofe van 1948, toen meer dan 400 Palestijnse dorpen werden verwoest en zowat 750.000 Palestijnen vluchteling werden (1). Uiteindelijk werd de staat Israël gesticht op 78 % van het historische Palestina, 22% worden gevormd door Gaza en de Westelijke Jordaanoever. Israël heeft nooit definitieve grenzen vastgelegd en de expansiepolitiek ging na 1948 onverminderd voort. Internationaal wordt de bestandslijn van 1949, de groene lijn, de facto als de grens tussen Israël en de Palestijnse gebieden aanvaard.

2. Israëls expansie- en bezettingspolitiek 

a. Politiek: de Palestijnse staat onmogelijk maken

Israël zet de expansiepolitiek in de gebieden die het sinds 1967 bezet, voort en voert een beleid van systematische inbeslagname van grond en water in de Westelijke Jordaanoever, de Gazastrook en Oost-Jeruzalem. Door de bouw van nederzettingen, nederzettingswegen of by-pass roads en de muur, creëert het zoveel mogelijk ‘voldongen feiten’ op het terrein, zodat  een maximale hoeveelheid land wordt ingepalmd. De bouw van de muur en het disengagement plan, waarmee Israël de grote nederzettingsblokken op de Westelijke Jordaanoever wil annexeren in ruil voor de terugtrekking uit de Gazastrook, vloeien voort uit dit expansiebeleid. De oprichting van een leefbare en onafhankelijke Palestijnse staat wordt hierdoor zo goed als onmogelijk.

In juni 1980 keurde de Knesset een wet goed om Oost-Jeruzalem te annexeren. Deze annexatie wordt door de VN niet erkend. Oost-Jeruzalem is op het ogenblik door de bouw van nederzettingen nagenoeg volledig afgesneden van de Westelijke Jordaanoever. Israël wil ‘Groot-Jeruzalem’  tot Israëlische hoofdstad maken en het aantal Palestijnen in de stad tot een minimum reduceren. Het pint hier zelfs een percent op vast: zeventig percent joden en dertig percent Palestijnen. Om dit cijfer te handhaven voert de Israëlische regering een beleid van ernstige discriminatie tegenover Palestijnse inwoners van Oost-Jeruzalem. Met verschillende ingrepen wordt de Palestijnse bevolking uit het gebied van “Groot Jeruzalem” (2) gezet. Zo  kunnen de Palestijnen hun recht op residentie in de stad verliezen indien ze een tijd in het buitenland verblijven. Met the law of absentees, een wet uit 1950, wil Israël tevens honderden hectares Palestijnse grond in Oost-Jeruzalem annexeren. Zo snijdt het Oost Jeruzalem af van de rest van de Palestijnse gebieden en verhindert het dat Oost-Jeruzalem de hoofdstad van Palestina wordt.

Achtergrond bij het conflict

1. De oorsprong van het conflict

Israël vergroot de militaire en economische controle over de Palestijnse gebieden ook door een intern en extern afgrendelbeleid. Van bij het begin van de tweede intifada heeft het Israëlische leger de al beperkte bewegingsvrijheid van de Palestijnse bevolking in de bezette gebieden volledig aan banden gelegd door het installeren van fysieke barrières zoals controleposten en wegversperringen. Volgens de laatste telling van OCHA (juli 2009) waren er 614 'diverse versperringen', de checkpoints op de Groene Lijn niet meegeteld. De bouw van de muur, die in 2002 startte, vormt de climax van dit afgrendelbeleid.

De capaciteit van de Palestijnse Autoriteit om normaal te functioneren  wordt  zwaar ondergraven door de Israëlische vernietiging van vele regeringsgebouwen en van veiligheidsinfrastructuur en door de onmogelijkheid om zich normaal te bewegen op het terrein. Bovendien heeft de Palestijnse Autoriteit nooit echte autonomie gehad in de Palestijnse gebieden. Bij de Oslo-akkoorden kreeg ze een zeer beperkte  autonomie (3) toebedeeld, terwijl Israël de echte controle bleef behouden.  Israël wil ook de controle over de grenzen met de buurlanden Egypte en Jordanië behouden. De internationale gemeenschap moet dit erkennen en kan de Palestijnse Autoriteit niet op gelijke voet met Israël behandelen. Zolang Israël een bezettende macht blijft, heeft het volgens de Vierde Conventie van Genève specifieke verantwoordelijkheden, die niet bij de Palestijnse Autoriteit kunnen worden gelegd.

b. Sociaal-economische gevolgen: een ontredderde Palestijnse samenleving

De bezetting leverde Israël heel wat voordelen op, zoals de aanwinst van extra landbouwgrond en waterbronnen. Onder de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook bevinden zich belangrijke watervoorraden, die Israël in 1967 tot nationaal bezit verklaarde. Het voerde een ongelijke waterverdeling in die de Palestijnse bevolking benadeelt ten gunste van de joodse kolonisten. Alhoewel ze dezelfde watervoorraden delen, hebben de Palestijnse burgers jaarlijks maar dertig kubieke meter water per persoon ter beschikking, terwijl de joodse kolonisten 320 kubieke meter krijgen. De waterschaarste heeft kwalijke economische en sociale gevolgen voor de Palestijnse bevolking. Er blijft bijvoorbeeld niet genoeg water over voor het irrigeren van landbouwgrond.

De Israëlische bezettingspolitiek ondermijnt niet alleen de Palestijnse landbouw, de ruggengraat van de Palestijnse economie, maar zorgt bovendien voor een de-development, een on-ontwikkeling, van de Palestijnse samenleving. Er is zelfs sprake van een achteruitgang. Een van de voornaamste oorzaken is de systematische schade die het Israëlische leger en de joodse kolonisten aanrichten aan Palestijnse huizen, infrastructuur, boomgaarden, irrigatiesystemen en waterputten.

De bezetting heeft de Palestijnse economie bijzonder kwetsbaar gemaakt. Ze is een schoolvoorbeeld van een koloniale afhankelijkheidsrelatie. Er is geen eigen industrie, waardoor de Palestijnse markt een ideale afzetmarkt is voor Israëlische producten. Daarnaast vormen de Palestijnse gebieden een goedkope bron van arbeid voor Israël. De Palestijnse economie is,  zowel voor de import van goederen als de export van eigen producten, altijd al erg afhankelijk van Israël geweest, onder meer omdat de controle over de grenzen in handen van Israël blijft. Sinds de jaren negentig en de Oslo-akkoorden is deze afhankelijkheid nog gegroeid door de verscherpte Israëlische reglementen, controles, heffingen en taksen.

Internationale instellingen hebben er al vaak op gewezen dat Israël mee verantwoordelijk is voor de huidige economische crisis in de Palestijnse gebieden en dat een Palestijnse staat maar leefbaar is als ze controle heeft over de eigen economie, grenzen, grond en water. Zestig percent van de Palestijnse burgers leeft in extreme armoede, met  twee Amerikaanse dollar per dag. Sinds 2000 hebben internationale donors jaarlijks ongeveer 315 dollar per persoon bijgedragen. De Wereldbank schat dat een verdubbeling van de donorbetalingen, tot twee miljard dollar, de armoedegraad maar met zeven percent zou verminderen. Zolang het afgrendelbeleid doorgaat, kan de economie niet uit het slop geraken. De internationale gemeenschap moet haar verantwoordelijkheid opnemen om de de-development te bestrijden en de oorzaak van het conflict, namelijk de bezetting, aan te pakken. De bezetting ondergraaft elke inspanning van de internationale gemeenschap voor de ontwikkeling van de toekomstige staat Palestina. Coherentie tussen internationaal beleid en ontwikkelingssamenwerking is absoluut nodig.

Ook de sociale en psychische gevolgen van de bezetting zijn niet te overzien. De bezetting leidt tot een desintegratie van de Palestijnse maatschappij. Palestijnse jongeren groeien op in een cultuur van bezetting en geweld en worden vaak de verloren generatie genoemd. Bovendien is geen enkele Palestijnse familie rechtstreeks of onrechtstreeks gespaard gebleven van het geweld van het Israëlische leger.

c. Gevolgen voor Israël

Ook voor Israël is het conflict niet zonder gevolgen. De economie is er sinds 2000 ernstig op achteruitgegaan. De werkloosheid is hoog en meer dan twintig percent van de Israëli’s leeft  in  armoede. De uitgaven voor defensie zijn torenhoog en daarom wordt er bespaard op de sociale voorzieningen. Het economisch model evolueert naar neoliberalisme en dat stuit op verzet bij de Israëlische bevolking

 

Het geweld van de Palestijnse gewapende groeperingen (4) eist slachtoffers  en veroorzaakt fysieke en psychische schade. Bovendien leidt het tot een hardere opstelling van veel Israëli’s tegenover de Palestijnen en vergroot het de onverschilligheid over de bezetting. Meer en meer Israëli’s geloven dat de verwezenlijking van hun rechten niet samengaat met de rechten van het Palestijnse volk en menen dat er geen andere keuze rest dan het beleid van de opeenvolgende Israëlische regeringen. Israëlische critici wijzen er echter op dat de prijs voor de bezetting te hoog wordt en dreigt de Israëlische samenleving te ondermijnen. Ze zeggen dat Israël een keuze moet maken tussen democratie en gelijke rechten, enerzijds, en het behoud van een joodse meerderheid in Israël en de expansiepolitiek, anderzijds. De  twee zijn onmogelijk te combineren.

3. Het internationaal recht wordt niet gerespecteerd

Een duurzame en rechtvaardige oplossing voor het Israëlisch-Palestijns conflict moet gebaseerd zijn op het uitvoeren van het internationaal recht, meer bepaald de regels van het internationaal humanitair recht, de mensenrechtenverdragen en de resoluties van de Verenigde Naties. Israël weigert het recht op terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen te erkennen, de bezetting van de Palestijnse gebieden te staken en het zelfbeschikkingsrecht van het Palestijnse volk te erkennen. Toch kiezen de meeste Westerse regeringen voor een beleid van équidistance, dat beide partijen als gelijkwaardig voorstelt omdat beide partijen verplichtingen hebben volgens het internationaal recht. Nochtans zijn de specifieke verplichtingen van Israël, als bezettende macht, anders en aanzienlijk groter. De uitdaging bestaat er dan ook in dit beleid te doorprikken, Israëls respect voor het recht af te dwingen en een krachtig optreden van onze regeringsleiders te eisen.

Israël moet zich conform resolutie 242 en resolutie 338 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties volledig terugtrekken uit de gebieden die het sinds 1967 bezet, te weten de Westelijke Jordaanoever, de Gazastrook en Oost-Jeruzalem. De internationale gemeenschap en haar leden hebben de verantwoordelijkheid dit af te dwingen. Ze moeten de Israëlische regering bijvoorbeeld duidelijk maken dat de nederzettingen ontruimen geen ‘pijnlijke toegeving’ is, maar een internationaalrechtelijke verplichting.

Israël moet zijn verantwoordelijkheid voor het Palestijnse vluchtelingenprobleem opnemen. De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties stelde in resolutie 194 van 1948 dat de Palestijnse vluchtelingen het recht op terugkeer en compensatie (5) hebben. De internationale gemeenschap ondernam niets om deze resolutie en het recht op terugkeer van de intussen meer dan zes miljoen Palestijnse vluchtelingen te verwezenlijken.

Als bezettende macht heeft Israël volgens het internationaal humanitair recht duidelijke verplichtingen en moet het instaan voor het beschermen van de Palestijnse burgerbevolking. In weerwil van de uitspraken van het Internationale Comité van het Rode Kruis en de internationale gemeenschap weigert Israël (6) de Vierde Conventie van Genève toe te passen in de bezette Palestijnse gebieden. Het legt de Palestijnse bevolking onder meer collectieve straffen op, voert buitengerechtelijke executies uit en vergroot zijn controle over de Palestijnse gebieden via de nederzettingen en de muur. Het Internationaal Gerechtshof (7) in Den Haag stelt in zijn advies dat Israël de schendingen van het internationaal recht moet beëindigen door onmiddellijk de constructiewerken op het bezette Palestijnse grondgebied te stoppen, de daar al gevestigde structuur te ontmantelen en compensaties te geven voor geleden schade. 

Israël is gebonden door mensenrechtenverdragen zoals het Internationale Verdrag van politieke en burgerrechten,  het Internationale Verdrag van economische, sociale en culturele rechten en het Internationaal Kinderrechtenverdrag. Israël begaat echter ernstige mensenrechtenschendingen in de Palestijnse gebieden. Het gebruikt onder meer buitensporig geweld (8) tegen burgers, maakt onterecht gebruik van de administratieve hechtenis, foltert politieke gevangen en stelt Palestijnse burgers bloot aan collectieve bestraffing. Daarnaast schendt Israël de rechten van de Palestijnse burgers van Israël, die twintig percent van de bevolking uitmaken. De staat discrimineert de Palestijnse burgers op het gebied van huisvesting, onderwijs, economie, taal en politieke participatie. Dat valt bijzonder op bij de allocatie van staatsgeld. Sinds kort zijn ook huwelijken van Palestijnse burgers uit Israël met burgers uit de Palestijnse gebieden wettelijk onmogelijk.

4. Recht op zelfbeschikking en verzet

Wij verdedigen het zelfbeschikkingsrecht van het Palestijnse volk en zijn voorstander van een politieke oplossing voor het conflict. De Israëlische politiek van bezetting en kolonisatie staat die oplossing echter in de weg. Volgens het internationaal recht heeft het Palestijnse volk recht op verzet. Het zelfbeschikkingsrecht vormt immers een onvervreemdbaar recht binnen het volkerenrecht. Het Palestijnse verzet is een reactie die tot doel heeft het recht op zelfbeschikking van het Palestijnse volk te realiseren.

In resolutie 3236 uit 1974 erkent de Algemene Vergadering van de VN het recht van het Palestijnse volk om zijn rechten te realiseren met alle middelen die in overeenstemming zijn met de doelstellingen en de principes van het VN-charter. De Algemene Vergadering van de VN bevestigt in resolutie 3246 van 1974 “de legitimiteit van de strijd van volkeren voor de bevrijding van koloniale en vreemde overheersing en onderdrukking met alle mogelijke middelen, gewapende strijd inbegrepen”.  In zijn rapport over de hervorming van de VN schrijft (toenmalig) secretaris-generaal Kofi Annan dat het recht om zich tegen bezetting te verzetten in zijn ware betekenis moet worden gezien. Het gaat geenszins om het recht op het opzettelijk doden of verminken van burgers(9).

Een tweede verklaring voor het Palestijnse verzet is de Israëlische weigering om na 1967 de burgerbevolking in de Palestijnse bezette gebieden te beschermen en de bezette gebieden te vrijwaren van een kolonisatiepolitiek. Hiermee schendt Israël het internationaal humanitair recht, meer bepaald de Vierde Conventie van Genève. In de préambule van de Universele Verklaring van de rechten van de mens staat: “Overwegende, dat het van het grootste belang is dat de rechten van de mens beschermd worden door de suprematie van het recht, opdat de mens niet gedwongen worde om in laatste instantie zijn toevlucht te nemen tot opstand tegen tirannie en onderdrukking.” De Universele Verklaring van de rechten van de mens brengt dus impliciet begrip op voor het feit dat een volk in bepaalde situaties ‘gedwongen’ kan worden in opstand te komen.

Niet alle verzet kan gelijkgesteld worden met terrorisme, zoals de Israëlische regering beweert.  Terrorisme (10) is een vorm van politiek geweld dat gericht is tegen burgers met de bedoeling om angst, maar ook fysieke schade te veroorzaken. Volgens die definitie is niet alle geweld terreur. Bovendien is terreur niet exclusief gebonden aan niet-statelijke actoren. Als het Israëlische leger geweld gebruikt tegen Palestijnse burgers, is dit evenzeer terreur als de aanslagen van de Palestijnse gewapende groeperingen tegen Israëlische burgers.

5. Geweld tegen burgers

Wij ijveren voor een actieve geweldloze strijd. Steeds meer worden Israëlische en Palestijnse burgers het slachtoffer van het geweld van het Israëlische leger en de Palestijnse gewapende groeperingen. Tussen oktober 2000 en maart 2004  kwamen al meer dan 3.000 Palestijnse en bijna 1.000 Israëlische burgers om. Het internationaal humanitair recht is ontworpen om burgers ten tijde van oorlog te beschermen. Uitgaande van het fundamentele verschil tussen burgers en strijders legden onder meer de Geneefse verdragen (11) regels vast om te garanderen dat burgers niet bij vijandelijkheden worden betrokken.

Als bezettende macht moet Israël volgens de Vierde Conventie van Genève instaan voor de bescherming van de burgerbevolking in de bezette Palestijnse gebieden. Israël heeft dat steeds geweigerd. Sinds het begin van de tweede intifada ziet het Israëlische leger het gebruik van buitensporig geweld tegen de Palestijnse burgerbevolking steeds meer als een onderdeel van de bezettingsstrategie. Ook voert het meer en meer  standrechtelijke executies uit om militaire en politieke leiders van Palestijnse groeperingen uit te schakelen. Deze praktijken zijn een ernstige inbreuk op het internationaal humanitair recht omdat geen onderscheid tussen burgers en strijders wordt gemaakt. Bij de 160 buitengerechtelijke executies van de afgelopen drie jaar kwamen bovendien ook meer dan honderd omstanders om.  Wij veroordelen  alle geweld van het Israëlisch leger en kolonisten  tegen Palestijnse burgers en roepen de Israëlische regering op om het internationaal humanitair recht na te leven en Palestijnse burgers niet langer bloot te stellen aan geweld.

In de legitieme strijd van het Palestijnse volk voor zelfbeschikking moeten ook de gewapende Palestijnse groeperingen het internationaal humanitair recht respecteren. De aanslagen die ze plegen tegen Israëlische burgers, zijn een  ernstige schending van het internationaal humanitair recht. Palestijnse gewapende groeperingen rechtvaardigen hun aanslagen tegen Israëlische burgers als vergelding voor het geweld van het Israëlische leger en zeggen dat ook het Israëlische leger geen onderscheid maakt tussen burgers en strijders.  De verplichting  om burgers te beschermen geldt echter altijd en kan niet geschonden worden omdat Israël zijn verplichtingen weigert na te leven. Wij veroordelen alle geweld van de Palestijnse gewapende groeperingen tegen Israëlische burgers en roepen hen en de Palestijnse leiders op hun verantwoordelijkheid op te nemen om het internationaal humanitair recht na te leven en te doen naleven en dus het geweld tegen burgers tegen te gaan.

6. De internationale gemeenschap

De internationale gemeenschap heeft tijdens de opeenvolgende vredesonderhandelingen het respect voor het internationaal recht onvoldoende afgedwongen. De internationale gemeenschap zou het neutrale instrument van het respect voor het internationaal recht centraal moeten stellen. In de zoektocht naar een oplossing voor het Israëlisch-Palestijns conflict wegen politieke argumenten vaak sterker door dan het fundamentele respect voor het recht. Bij de opeenvolgende vredesplannen in de jaren negentig werd al voorrang gegeven aan het politieke proces en was de bereidheid van de partijen om hun wettelijke verplichtingen na te leven van ondergeschikt belang.

Deze trend om harde politieke overwegingen een groter gewicht te geven dan de wil om internationale verdragen uit te voeren, bepaalt meer en meer de inhoud van de politieke agenda en de aanpak van het conflict. Dat blijkt zeer duidelijk uit het Stappenplan voor vrede.  Het kwartet, te weten de Europese Unie, de Russische Federatie, de Verenigde Staten en de Verenigde Naties, verwijzen naar het internationaalrechtelijk kader en beklemtonen de einddoelstelling van het stappenplan, namelijk de stopzetting van de Israëlische bezetting en de oprichting van een leefbare soevereine Palestijnse staat. Maar het stappenplan maakt geen gewag van het respect voor de mensenrechten. Bovendien geeft het stappenplan ook geen oplossing voor andere fundamentele problemen, zoals het statuut van Jeruzalem, het vluchtelingenprobleem en de nederzettingen in bezet Palestijns gebied. Evenmin worden mechanismen ingebouwd om het respect voor het internationaal recht af te dwingen.

Het is de taak van de internationale gemeenschap om duidelijke engagementen en transparantie van beide partijen te eisen. Hiervoor moeten natuurlijk politieke wil en moed aanwezig zijn. De Verenigde Staten, de belangrijkste bondgenoot van Israël, hebben tot nu toe in hun concrete acties geen blijk gegeven van die politieke wil. Ook de Europese Unie, partijdig volgens Israël, bedankt hiervoor en houdt vast aan de balanced approach. Toch kan die balanced approach niet tot een duurzame vrede leiden, omdat ze geen rekening houdt met de ongelijke machtsverhoudingen tussen Israël en het Palestijnse volk. Bij de Europese bevolking gaan dan ook steeds meer stemmen op om druk op Israël uit te oefenen.  Het wijst niet op partijdigheid de Israëlische regering – en ook de Palestijnse Autoriteit - aan haar internationaalrechtelijke verplichtingen te herinneren.

Ondanks Israëls pogingen om de rol van Europa in het politieke proces te marginaliseren kan de Europese Unie als belangrijkste handelspartner van Israël wel degelijk invloed uitoefenen. Indien de Europese Unie, die zelf toch gestoeld is op het internationaal recht, geloofwaardig wil blijven als verdediger van dat recht, moet ze een coherentere politiek voeren ten aanzien van Israël. De Europese Unie moet eerst en vooral het Associatieakkoord met Israël opschorten. Israël schendt dit handelsakkoord al jaren. Het voert goederen uit de joodse nederzettingen als Israëlische goederen uit, waardoor die onrechtmatig tegen preferentiële tarieven in Europa worden ingevoerd. Bovendien schendt Israël de mensenrechten van de Palestijnse bevolking, alhoewel respect voor de mensenrechten een van de bindende bepalingen van dit handelsakkoord is.  Door deze handelswijze in de praktijk te aanvaarden werkt de EU feitelijk mee aan de bestendiging van de illegale praktijken van de nederzettingen (12).

Deze complexe situatie verplicht ons, solidariteitsorganisaties en ngo’s, de valse symmetrie van de twee ‘boosdoeners’ te doorbreken. In de mediaberichtgeving, maar ook in de recente vredesonderhandelingen wordt het conflict al te vaak gereduceerd tot de zichtbare symptomen van een conflict tussen twee partijen, waarbij de ene partij met het leger excessief geweld tegen Palestijnse burgers gebruikt en de andere partij zelfmoordaanslagen tegen Israëlische burgers pleegt. De echte oorzaken van het conflict, zoals de ontkenning van het Palestijnse zelfbeschikkingsrecht en de expansiedrang van de Israëlische staat, worden stelselmatig genegeerd.

7. Vrede en gerechtigheid

De term ‘vrede’ is een vage term waarmee men in feite alle kanten uit kan. In Israël hoort men vaak de verzuchting naar sheqet, stilte. Dat is een populaire vertaling van het begrip veiligheid. Voor vele Israëli’s is vrede synoniem met het stoppen van de aanslagen en open handelsbetrekkingen met de buurlanden. Voor Palestijnen is vrede en veiligheid niet mogelijk zonder de stopzetting van de Israëlische bezetting van de Westelijke Jordaanoever, de Gazastrook en Oost-Jeruzalem, de oprichting van een onafhankelijke Palestijnse staat in die gebieden en een oplossing voor het probleem van de Palestijnse vluchtelingen. De discrepantie tussen beide interpretaties vereist een absolute duidelijkheid over de motieven en de doelstellingen van beide partijen en van de eventuele bemiddelaars.

Vredesonderhandelingen kunnen enkel slagen indien er bij beide partijen een reële wil aanwezig is om een duurzame en rechtvaardige vrede te bereiken. De opeenvolgende vredesakkoorden van de jaren negentig hebben nooit geleid tot het beëindigen van de Israëlische bezetting. De asymmetrische machtsverhouding dwong de Palestijnse onderhandelaars echter tot elke prijs te bewijzen dat ze bereid waren - en nog altijd zijn - om compromissen te sluiten. Dat heeft hun onderhandelingspositie verzwakt, terwijl Israël hiervan gebruik maakte om zijn agenda op te leggen. Dat blijkt ook duidelijk uit het disengagement plan, of het terugtrekkingsplan, uit de Gazastrook, dat unilateraal door Israël werd afgekondigd en dus door de Palestijnen niet beschouwd wordt als een deel van een onderhandelde oplossing.

Zoals we hiervoor stelden, kan een duurzame en rechtvaardige vrede alleen gebaseerd zijn op het respect voor het internationaal recht. De mate waarin het recht in de vredesakkoorden geïntegreerd is, hangt echter ook af van de consensus over de oorzaak van het conflict. Die consensus is er niet tussen de meeste Israëli’s en Palestijnen. Ook de Europese regeringen, die om begrijpelijke redenen kampen met een schuldgevoel over het eeuwenoude antisemitisme en de  shoah, moeten hier hun verantwoordelijkheid opnemen.

Noten

(1)Studies variëren tussen 385 en 465 verwoeste dorpen. In zijn uitgebreide studie All That Remains komt Dr. Walid Khabidi uit op 418 verwoeste en ontvolkte dorpen binnen de grenzen van Israël. De Israëlische organisatie Zochrot publiceert een lijst van 589 'verdwenen' dorpen op hun website.

(2)De Israëlische definitie van ‘Groot-Jeruzalem’ is West-Jeruzalem en Oost-Jeruzalem, met een netwerk van aaneensluitende joodse nederzettingen, zoals Ma’ale Adumim. 

(3)De Palestijnse gebieden worden opgedeeld in bevoegdheidszones. De Palestijnse Autoriteit is alleen in de 6 grotere steden volledig bevoegd; in het grootste deel behoudt Israël militair de controle.

(4)Met de term gewapende groeperingen wordt bedoeld die extremistische groeperingen die aanslagen tegen burgers als strategie gebruiken.

(5)Citaat uit Resolutie 194 : “The refugees wishing to return to their homes and live at peace with their neighbours should be permitted to do so at the earliest practicable date, and that compensations should be paid for the property of those choosing not to return and for loss of or damage to property...” 

(6)Israël betwist dat de IVde Conventie van Genève de jure  van toepassing is in de bezette gebieden, maar heeft zich in diverse verklaringen de facto verbonden dit verdrag na te leven. 

(7)Advies van het ICJ  paraf. 163 : “Israel is under an obligation to cease forthwith the works of construction of the wall being built in the Occupied Palestinian Territory, including in and around East Jerusalem, to dismantle forthwith the structure therein situated… to make reparation for all damage caused by the construction of the wall in the Occupied Palestinian Territory, including in and around East Jerusalem;”

(8)Amnesty International: Israel and the Occupied Territories: Shielded from scrutiny: IDF violations in Jenin and Nablus, Rapport, 4 november 2002 ;

 Amnesty International: Israel/Occupied Territories: Israeli army must respect human rights in its operations, Press Release, 1 oktober 2004

(9)VN-Secretaris-Generaal, Kofi Annan. In larger Freedom: towards development, security and human rights for all  (21 maart 2005):

« And the right to resist occupation must be understood in its true meaning. It cannot include the right to deliberately kill or maim civilians…”

(10)VN-Secretaris-Generaal, Kofi Annan. In larger Freedom: towards development, security and human rights for all  (21 maart 2005): …I endorse fully the High-level Panel's call for a definition of terrorism, which would make it clear that, in addition to actions already proscribed by existing conventions, any action constitutes terrorism if it is intended to cause death or serious bodily harm to civilians or non-combatants with the purpose of intimidating a population or compelling a Government or an international organization to do or abstain from doing any act. 

(11)Het APP stelt vast dat er discussie bestaat over de toepassing van het internationaal humanitair recht, meer bepaald over de definitie van burgers én het statuut van “gewapende  burgers”, zoals de Israëlische kolonisten in de bezette gebieden. 

(12)Euro-Mediterranean Human Rights Network, Executive Summary: “The EU may have actually facilitated Israël’s violations of human rights and international humanitarian law by deferring to them in its own dealings with Israël… The EU can not knowingly allow its contractual relations with any third country to operate in this manner without itself violating European Community law and international law.”

** foto's: Jelle Van Stappen